Wanneer ben je slim?

← Terug naar overzicht -

Ik mocht een keer op een school voor twee jaar met een filosofieclub aan de gang. Hieraan mochten zo’n twaalf kinderen deelnemen. Geïnteresseerde kinderen mochten ‘solliciteren’ door met mij een filosofisch gesprek te voeren. Op basis daarvan koos ik kinderen die wat mij betreft het duidelijkst filosofisch talent lieten zien. Wat bleek, ongeveer de helft van de kinderen waren zwakke leerlingen. Zo blijkt maar weer dat onze indeling in goede en zwakke leerlingen zijn zwakheden heeft. Want wanneer ben je nou eigenlijk slim? Daar dacht ik over na met een groep kinderen aan de hand van een aantal stellingen.

Je bent slim als je altijd heel snel klaar bent met je werk

‘Het kan ook zijn dat je niet supersnel bent maar dat de ander supertraag is en dat je dus eigenlijk een normaal werktempo hebt.’
‘Misschien ben je wel snel klaar maar zitten er heel veel foutjes in of zo en dan ben je niet zo heel slim bezig. Je kunt ook gewoon wat opschrijven en niet nadenken.’
‘Als je ergens goed over nadenkt, dan heb je meer tijd nodig.’
‘Ja, maar het slaat ook nergens op als je over een som tien minuten doet.’
‘Dat hangt ervan af wat je er allemaal bij denkt. Misschien dacht je tijdens het maken ineens aan iets anders, iets heel ingewikkelds, over ons sterrenstelsel of zo. En dan na vijf minuten denk je, o ja, ik was met dat suffe sommetje bezig.’

Je bent slim als je heel veel vragen stelt.

‘Nee, want dan kun je blijkbaar niet zelf een antwoord bedenken.’
‘Professors die met elkaar overleggen en elkaar vragen stellen zijn slim. Als je iets niet snapt en je dan een vraag stelt, dat is ook slim omdat je het dan wil begrijpen. “Mag ik pizza?” is ook een vraag en dat is ook slim, want anders krijg je geen eten wat je lekker vindt.’
‘Je kan ook vragen stellen omdat je ergens nog meer over wilt weten.’
‘Als je niet heb nagedacht, kun je ook geen vragen stellen. Nadenken is altijd slim!’

Je bent slim als je een goed geheugen hebt.

‘Als je alles wat je hoort of leest onthoudt, dan hoef je het nog niet te begrijpen.’
‘Ik kijk wel eens tv en dan ben ik na een minuut vergeten wat er op was. Dat ligt niet aan mijn IQ. Dan was het gewoon niet interessant genoeg voor mij.’
‘Als je heel vergeetachtig bent, gaat je IQ niet naar beneden. Ze zeggen toch ook dat professors verstrooid zijn?’
‘Maar we denken wel van mensen die veel feitjes kennen dat ze slim zijn. Maar misschien snappen ze wel niks van die feitjes.’
‘Ik vind het slimmer om iets zelf te ontdekken.’

Als je slim bent, maak je nooit fouten.

‘Iedereen maakt fouten.’
‘Van fouten leer je juist.’
‘Als je slim bent, ga je ook moeilijkere dingen doen. Dus dan kun je weer fouten maken.’
‘Tegen mij zeggen ze vaak: Jij moet al klaar zijn want jij zit in de plusklas. Dat vind ik onzin. Ik denk gewoon veel na.’
‘Als je slim bent, ga je vaak ook moeilijker denken.’
‘Als ik een zin lees, dan denk ik bij elk woord wat betekent het nou eigenlijk. Als er staat hij was blij dat hij de beste was. Dan denk ik: wat is eigenlijk blij zijn en wanneer ben je eigenlijk de beste.’

Baby’s zijn nog niet slim.

‘Natuurlijk wel. Ze moeten alleen nog dingen ontdekken en leren. Ze zijn nog maar net op de wereld.’
‘Je kunt niet alles leren. Als je op je elfde nog steeds optelsommen moeilijk vindt, dan ga je het ook niet meer leren.’
‘Mijn neefje is vijf en dan kun je wel zien of je wel of niet slim bent. Het gaat niet om wat je al weet maar hoe makkelijk je leert.’
‘Ik denk dat het ook aan je ouders ligt. Of die ook met je gingen lezen of zo of spelletjes doen. Als ze bijvoorbeeld altijd met mij tv zaten te kijken, dan was ik minder slim geweest.’
‘Ik wilde toen ik klein was altijd liever spelen en ik ben toch slim geworden.’
‘Maar je leert van spelen toch ook?’
‘Ja, maar als je alleen bent en je vindt jezelf dom dan ben je dom. Maar als er ineens allemaal dommere mensen om je heen staan dan ben je ineens slim.’
‘Maar andere mensen zijn slimmer met dingen met hun handen doen en buiten werken.’
‘Maar in een laboratorium dan werk je toch ook met je handen. En een bioloog gaat toch ook naar buiten.’
‘Maar je moet dan ook slim zijn en veel weten.’
‘Een automonteur moet toch ook veel weten!’
‘Ja, maar op een andere manier.’
‘Ja, die kan iets wat jij weer niet kan en misschien ook niet kan leren.’
‘Dan ben je altijd slim op je eigen manier.’

Dat leek me een prima opmerking om het gesprek af te ronden!

Lees ook: Het zelfbeeld van kinderen: ‘Ik ben niet zo slim’


Geplaatst op 29 augustus 2019 in Blogalert, Denken over onderwijs, Inspiratieblogs

Filosofiejuf.nl is Filosovaardig geworden. Een nieuwe naam, maar vertrouwde content met tips, materialen en inspiratie om te gaan filosoferen met kinderen.



Schrijf je in en ontvang het gratis filosovaardig-startpakket en toegang tot de downloads:


Abonneer je op dit blog

* = verplicht veld

Schrijf hier je reactie op dit bericht.

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *